Actief beheerde fondsen zijn er in 2025 opnieuw niet in geslaagd om hun benchmarks te verslaan. Dat blijkt uit een nieuw rapport van S&P Global, waarin de prestaties van actieve fondsen over verschillende perioden naast die van indexen worden gelegd.
De uitkomsten bevestigen een trend die al jaren zichtbaar is: voor veel actieve beheerders blijft outperformance eerder uitzondering dan regel.
Ook in Nederland
Ook in Nederland is dat beeld duidelijk zichtbaar. Een meerderheid van de actief beheerde Nederlandse aandelenfondsen bleef in 2025 achter bij de benchmark. Tegelijkertijd liet de S&P Netherlands BMI een solide rendement zien, gedragen door sterke prestaties in een aantal dominante sectoren. Daarmee wordt nog eens onderstreept hoe lastig het is voor fondsmanagers om met actieve keuzes structureel waarde toe te voegen, zelfs in een markt die als relatief gunstig kan worden beschouwd.
Volgens Tim Edwards, Global Head of Index Investment Strategy bij S&P, zit het probleem dieper dan de resultaten in 2025 lieten zien. Hij wijst erop dat de cijfers over langere perioden een nog minder gunstig beeld laten zien. “Zelfs wanneer de kansen in de markt aanwezig lijken, blijkt het consistent benutten daarvan bijzonder lastig.”
Naarmate de beleggingshorizon langer wordt, neemt het aandeel fondsen dat achterblijft verder toe, ziet Edwards.
Europabreed een probleem
Het beeld in Nederland sluit aan bij een bredere Europese trend. In 2025 lieten 18 van de 21 onderzochte categorieën een underperformance zien. In meer dan de helft van die categorieën wist zelfs minder dan een kwart van de fondsen de index te verslaan. In de grootste categorie, die van wereldwijd beleggende aandelenfondsen, bleef 71% achter bij de S&P World Index.
Ook op landenniveau is het patroon consistent. In Frankrijk bleef 67% van de fondsen achter, in Duitsland 70% en in Zwitserland liep dat op tot 83%. In Scandinavië en Zuid-Europa zijn de cijfers nog uitgesprokener: Zweden noteerde 85% underperformance, het Verenigd Koninkrijk 88%, Italië 90% en Spanje zelfs 96%.
Daarmee is er nauwelijks een grote Europese markt waarin actieve aandelenbeleggers als groep beter presteren dan de index.
Obligatiefondsen: iets genuanceerder beeld
Bij obligatiefondsen ligt het beeld iets genuanceerder, al blijft ook daar de conclusie overwegend negatief. Gunstige omstandigheden op de kredietmarkten en bewegingen in de rentecurve boden actieve beheerders in 2025 meer kansen om waarde toe te voegen.
Desondanks bleef in 7 van de 10 categorieën nog altijd meer dan de helft van de fondsen achter bij de benchmark. De speelruimte voor outperformance lijkt hier dus groter, maar blijkt in de praktijk nog altijd beperkt.
Survivorship-effect
Volgens S&P is een aanvullende factor afgelopen jaar geweest dat er weer de nodige fondsen van het schap verdwenen. In het afgelopen jaar werd meer dan 5% van de actieve obligatiefondsen samengevoegd of geliquideerd.
Dit zogenoemde survivorship-effect kan de cijfers op lange termijn vertekenen, omdat slecht presterende fondsen uit de dataset verdwijnen. Dat maakt het voor beleggers des te lastiger om vooraf de juiste keuzes te maken.
Wat is de toegevoegde waarde?
De uitkomsten van het rapport sluiten aan bij een bredere discussie over de toegevoegde waarde van actief beheer ten opzichte van passief beleggen. Waar actieve strategieën in theorie ruimte bieden om in te spelen op kansen in de markt, blijkt het in de praktijk voor een groot deel van de fondsen moeilijk om deze structureel te benutten.
Dat geldt niet alleen in complexe of volatiele markten, maar juist ook in jaren waarin de omstandigheden op het eerste gezicht gunstig lijken.
Lees ook: Thema-ETF’s zijn terug van weggeweest: dit is het populairste thema