Voor particuliere beleggers en spaarders wordt 2026 opnieuw een tussenjaar voor wat betreft vermogensbelasting. Het lang aangekondigde stelsel waarbij belasting wordt geheven over het werkelijke rendement laat nog steeds op zich wachten. Daardoor blijven de bestaande regels in box 3 van kracht, terwijl de tarieven in box 2 stabiel blijven.
Dit betekent dat niet zozeer het werkelijke rendement bepalend is voor de belasting, maar vooral de manier waarop het vermogen fiscaal is opgebouwd, zoals de verdeling tussen spaargeld en beleggingen of tussen fiscale partners.
Box 3: fictief rendement blijft leidend
Ook in 2026 wordt het belastbare inkomen in box 3 vastgesteld op basis van fictieve rendementen. De Belastingdienst rekent met verschillende fictieve rendementen voor spaargeld, beleggingen en schulden:
- Spaargeld: relatief laag fictief rendement
- Beleggingen en andere bezittingen: aanzienlijk hoger fictief rendement
Over het berekende rendement wordt 36% belasting geheven. Daarnaast geldt een heffingsvrij vermogen van ruim €59.000 per persoon, waardoor pas boven die grens daadwerkelijk belasting verschuldigd is.
Voor particulieren betekent dit dat de manier waarop je je vermogen structureert belangrijker is dan het feitelijke rendement. Als belegger kun je zelfs bij een tegenvallend rendement geconfronteerd worden met een hoge belastingdruk. Spaargeld blijft daarentegen fiscaal gunstiger, ook wanneer de spaarrente nauwelijks boven de inflatie uitkomt.
Een belangrijk instrument om deze kloof te verkleinen is de tegenbewijsregeling. Wie kan aantonen dat het werkelijke rendement lager is dan het fictieve rendement, kan een verzoek indienen om op basis van dat lagere rendement belast te worden. Dit vraagt om de nodige administratie, maar kan voor beleggers met lage of negatieve rendementen een interessant hulpmiddel zijn om de belastingdruk omlaag te brengen.
Slimme opties binnen box 3
Binnen de huidige regels zijn er andere manieren om de belastingdruk te beïnvloeden. Door het vermogen tussen jou en je fiscale partner slim te verdelen, maak je optimaal gebruik van het heffingsvrije bedrag en vermijd je dat er te veel belasting wordt geheven.
Ook is het slim om goed te kijken naar de verhouding tussen spaargeld en beleggingen, aangezien de verschillen in fictief rendement groot blijven. Daarnaast is dus een zorgvuldige documentatie van rendementen belangrijk om de tegenbewijsregeling effectief te kunnen benutten. Heel veel meer kun je mogelijk niet doen, omdat kritisch wordt gekeken naar constructies die uitsluitend zijn gericht op belastingbesparing.
Box 2: stabiliteit biedt rust
In box 2, waar inkomen uit aanmerkelijk belang wordt belast, verandert er in 2026 weinig. De tarieven blijven gelijk: een lager tarief tot een bepaalde inkomensgrens en een hoger tarief daarboven. Voor particuliere beleggers met een eigen bv zorgt dit voor voorspelbaarheid.
Wel blijft box 2 onderwerp van politiek debat. Voorstellen om de belastingdruk op bepaalde vormen van vermogensinkomen te verhogen circuleren, maar hebben vooralsnog niet tot concrete wijzigingen geleid.
Alles bij elkaar is het voorlopig verstandig om binnen de bestaande regels slimme keuzes te maken die passen om je belastingdruk iets te reguleren, in afwachting van een toekomstig stelsel dat het werkelijke rendement centraal stelt.
Lees ook: Beleggingspauze om box 3-belasting te besparen, slim idee?